| Strikt wettelijk verbod op verplichte geldelijke bijdrage ouders valt niet te ontduiken |
|
Artikel 40 van de Wet op het Primair Onderwijs bepaalt klip en klaar dat de toelating tot een basisschool niet afhankelijk mag worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig. Overeenkomsten waarbij een vrijwillige ouderlijke bijdrage wordt afgesproken, zijn aan tal van in artikel 40 WPO opgenomen voorwaarden onderworpen. Aldus moet het voor ouders heel transparant zijn, wanneer zij een geldelijke bijdrage leveren, waarvoor zij dat doen en dat zij dat geheel vrijwillig doen.
De Stichting Groningse Schoolvereniging en de Vereniging Groningse Schoolvereniging hadden voor het "probleem" van de vrijwilligheid kennelijk een slimme oplossing gevonden. De stichting is het bevoegd gezag van de basisschool. De ouders van de kinderen, die naar deze basisschool gaan, moeten lid worden van de vereniging (althans zo lijkt het voor die ouders). Voor het lidmaatschap van de vereniging moeten de ouders contributie betalen...
De rechtbank Groningen acht deze constructie in strijd met artikel 40 WPO. De vereiste transparantie ontbreekt volgens de rechter. De stichting en de vereniging zijn volgens de rechter dermate verstrengeld dat er geen onderscheid kan worden gemaakt. Voor ouders was het niet duidelijk dat zij strikt genomen niet verplicht waren om lid te worden van de vereniging. De overeenkomsten die ouders met de vereniging sloten moeten op grond van dit gegeven volgens de rechter als nietig worden aangemerkt.
Niet van onderwijsrechtelijke aard, maar ook wel interessant is de analoge toepassing door de rechter van artikel 3:53 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel gaat over de gevolgen van de vernietiging van een rechtshandeling. In deze zaak gaat het om een nietige rechtshandeling (de overeenkomst is op grond van artikel 40 WPO nietig). Desalniettemin vindt de rechter dat de vereniging de reeds betaalde contributie niet hoeft terug te betalen omdat het naar de mening van de rechter bezwaarlijk zou zijn de gevolgen van de nietige rechtshandeling ongedaan te maken (dit is het criterium van artikel 3:53 lid BW). Een voor een onbekende met het dossier een wat merkwaardige conclusie van de rechter: wat is er zo bezwaarlijk aan het terugstorten van een ten onrechte ontvangen bedrag?
|