| Publiceren rapportage Inspectie democratische plicht? |
|
De Inspectie van het onderwijs inspecteert, dat spreekt voor zich. Het lijkt op het eerste gezicht even vanzelfsprekend dat de Inspectie de rapportages, die het product zijn van al dit inspecteren, direct op het internet publiceert. Het is in de regel immers nuttige informatie voor het publiek en bovendien gaat het al jaren zo. Recent heeft een schoolbestuur deze vanzelfsprekendheid echter ter discussie gesteld en tot en met de Raad van State geprocedeerd over de stelling dat publicatie van een rapportage achterwege diende te blijven. Het ging in de casus om een specifiek, incidenteel onderzoek naar besteding van de financien. Het ging dus niet om de reguliere jaarlijkse inspectie van de kwaliteit van het onderwijs. Wanneer wij nu de uitspraak lezen die het resultaat is van dit procederen, vinden wij het ook niet zo vanzelfsprekend dat de rapportage direct op het internet is gepubliceerd. De Raad van State oordeelt weliswaar dat publicatie het publieke belang van openbaarheid dient, maar overtuigend is dit niet. Het meest interessante punt betreft in onze optiek het volgende. De minister stelt dat de plicht tot spontane openbaarmaking, zoals opgenomen in artikel 8, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) haar tot het openbaar maken verplicht. Dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan uit eigen beweging informatie verschaft over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. De kernvraag is dus of openbaarmaking van een rapport van de Inspectie van het onderwijs in het belang van een goede en democratische bestuursvoering door de minister van OCW. De Raad van State stelt dat dit het geval is omdat in het rapport bevindingen zijn neergelegd van de uitvoering van de toezichthoudende taak. De toezichthoudende taak houdt in dat de minister bekijkt hoe door een school de financiele middelen worden aangewend. Het zou dan in het belang van een goede en democratische bestuursvoering zijn dat het publiek inzage heeft in de wijze waarop de publieke middelen worden besteed en de wijze waarop de minister hierop controle uitoefent. Deze redenering lijkt op het eerste gezicht ook wel weer logisch, maar klopt in onze optiek niet. Het gaat bij de betreffende rapportage immers niet om het informatie verschaffen over de wijze waarop de minister, door middel van de Inspectie, haar toezichthoudende taak uitoefent. Als het rapport daaromtrent al informatie bevat dan zal het zeer beperkt zijn en zeker geen totaal beeld geven. Bovendien zou over de wijze waarop de minister haar toezichthoudende taak uitoefent op heel andere wijze informatie verstrekt kunnen worden. Bijvoorbeeld door een uitgebreide rapportage te publiceren over het gehele functioneren van de Inspectie. Dan krijgt het publiek pas echt een goed beeld van hoe de publieke middelen worden besteed aan de controlerende taken van de Inspectie. Daar komt bij dat op het inhoudelijke punt - hoe heeft de school de publieke middelen besteed - op het moment van rapporteren door de Inspectie nog helemaal geen zekerheid bestaat. Het is op dat moment immers nog niet onherroepelijk in rechte komen vast te staan dat de conclusies van de Inspectie, omtrent de wijze van besteden van de bekostiging, juist zijn. De rapportage van de Inspectie is niet meer dan vooronderzoek in het kader van voorgenomen besluitvorming door de minister. Gelet op de omstandigheid die hiervoor werd beschreven - inhoudende dat de minister dus op andere wijze verantwoording zou kunnen afleggen over de manier waarop hij zijn bevoegdheden van de toezichthoudende taak aanwendt - zou, juist bij de geboden nadere afweging van betrokken belangen bij de spontane openbaarmaking, sterk betwijfeld worden of het nu nodig en nuttig is dat het rapport van de Inspectie direct op de haar website wordt gepubliceerd. Dat de Raad van State anders oordeelt wekt overigens geen verbazing. Het is immers voor de burger ook al jarenlang vanzelfsprekend dat de bestuursrechter vooral oog heeft voor de belangen van bestuursorganen. |